76 jaar bevrijding van kamp Westerbork: De toespraak van rabbijn Vorst

Rabbijn-Ies-Vorst

13 april 20212020 Website CVI (100)

Door Rabbijn Ing. Ies Vorst – 

Rabbijn Vorst tijdens de herdenking van 76 jaar bevrijding van Kamp Westerbork

Als een voorrecht voel ik het – hoe emotioneel het voor mij ook moge zijn – nu het woord hier te mogen voeren. Als overlevende te kunnen, te mogen reageren; vandaag, 11 april, op één dag na, precies 76 jaar na de bevrijding van Kamp Westerbork door de Canadezen. Speciaal wil ik mij richten tot de jeugd, de komende generatie van Nederland. Opdat zij zullen weten en beseffen wat eigenlijk niet begrepen kan worden.

Beste jongens en meisjes,

5 jaar was ik toen wij werden weggehaald. Met mijn vader, moeder – die zwanger was van weer een Joods kind – een zusje en twee broertjes. Naar Westerbork – hier dus – waar de Joodse Nederlanders werden bijeengedreven. Om verder op transport te worden gesteld naar de vernietigingskampen van de nazi’s. Om vergast te worden. Op andere wijze vermoord. Of om dwangarbeid te verrichten, onder omstandigheden met veelal de dood ten gevolge. Nederland; Joden-rein. Opgeruimd staat netjes; toch?

Na acht maanden in Westerbork – de baby werd geboren, en stierf – werden wij gevankelijk vervoerd naar het concentratiekamp Bergen Belsen. Bij Hannover op de Luneberger Heide.

Sterrekinderen

Clara Asscher-Pinkhof schrijft in haar boek Sterrekinderen over de aankomst daar:

‘De trein uit Westerbork is bij Bergen Belsen aangekomen. Het concentratiekamp zelf ligt op een afstand van twee uur lopen. De kleine kinderen met hun moeders worden met vrachtwagens vervoerd. Er is geen enkel licht in de auto. Moeders roepen dat hier een klein kind staat, waar niet op getrapt mag worden. Zij hebben de baby’s in de armen en de kleuters tussen de knieën. De kinderen gillen van angst en ontzetting.’

Dan, door de kluwen van wanhoopskreten heen, begint opeens een moeder, met drie eigen kinderen bij zich, een kinderliedje te zingen:

‘Drie kleine kleutertjes
Die zaten op een hek
Boven op een hek…’

Er valt een korte stilte in het gegil. Dan zingen meer moeders mee, en dan de kinderen, helder en onbevangen. Als het liedje uit is, komt dadelijk een ander, telkens een ander.’ Zo schrijft Clara-Asscher in haar boek Sterrekinderen.

Die zingende kinderen… ik was een van die kinderen. Die zingende moeder… was mijn moeder. Alleen een foto is wat ik van haar heb. Altijd op mijn hart gedragen. En in mijn hart.

Het Verloren Transport

De onvoorstelbare, verschrikkelijke ellende van Bergen-Belsen. Terreur. Besmettelijke ziektes, zoals dysenterie en tyfus. Urenlang op appel staan. In de brandend hete zomerhitte van de Luneberger Heide of de daar onvoorstelbaar strenge winterkou. Honger, honger, honger. Cocons van vlinders werden gegeten. Lijken werden opengesneden; de lever eruit opgegeten. Bij kinderen op de po – ik heb het zelf gezien – kwamen de ingewanden mee naar buiten, die na afloop weer naar binnen werden geduwd… Mensen werden krankzinnig. Liepen gek geworden spiernaakt rond.

Toen de Duitsers begrepen dat zij de oorlog gingen verliezen, deden zij alle moeite het moord-karwei toch nog tot het door hen gewenste einde te brengen. Wij werden in een veewagens-trein geworpen op weg naar ‘hopelijk’ nog bereikbare gaskamers. Twee weken reed de trein zwalkend door Duitsland. Het beruchte Dolende Verloren Transport. Zonder eten. Zonder drinken. Slapend op de ruw-houten vloer van de veewagon werd ik ’s morgens wakker tussen de lijken van mensen die die nacht waren omgekomenen. Na twee weken werden wij door Russische soldaten in het oosten van Duitsland bij het plaatsje Trobitz bevrijd. Uitgehongerd, uitgemergeld, met meer dan veertig graden tyfus-koorts. Mijn moeder overleed in de trein. Begraven in een massagraf naast de spoorlijn. De precieze plaats is niet bekend…

Wij werden in een veewagens-trein geworpen op weg naar ‘hopelijk’ nog bereikbare gaskamers.

Hoe kon dit gebeuren?

Toen mijn vader uit de hel van Westerbork, Bergen Belsen en de trein van het Verloren Transport – net niet bezweken – terugkeerde, hij zonder vrouw, wij – de kinderen – zonder moeder, hertrouwde hij met de vrouw die mijn moeder hem vóór haar sterven had aangeraden; een vroegere vriendin van haar; onze vroegere babysit.

Zijn gedachten tijdens de huwelijkssluiting waren gebaseerd op psalm 116:

  • Benauwenis en ellende ondervond ik, maar de Naam van G.d blééf ik aanroepen.
  • Voor al Uw hulp op dit moment wil ik daarom de beker heffen, en de Naam van G.d, Uw Naam, ook nu aanroepen.
  • Een offer van dank wil ik U brengen, en de Naam van G.d, Uw Naam, moge ik blijven aanroepen.

Dat was de reactie van mijn vader op dat moment. En eerder. Volkomen G.ds-geloof. Volkomen G.ds-vertrouwen. En hoe was het gesteld met mijn geloof in G.d? Ik begon te twijfelen. Hoe was dit alles mogelijk geweest? Hoe kon een liefdevolle G.d dit alles toestaan?! Maar ik wilde geloven. Blijven geloven. Ik wilde mijn moeder ‘boven’ niet aandoen, dat ik niet zou leven zoals zij dat van mij had gehoopt.

Ik begon antwoorden te zoeken. Wetenschappelijke zekerheden dat G.d bestaat. Dat er een Schepper is Die alles heeft doen ontstaan. En die antwoorden vond ik. G.d zij dank.

Ik begon te twijfelen. Hoe was dit alles mogelijk geweest? Hoe kon een liefdevolle G.d dit alles toestaan?

Naar G-ds evenbeeld

Beste jongens en meisjes, een vraag: Hoe is het eigenlijk te verklaren dat gewone, aardige, vriendelijke Duitse mannen en jongens, vrouwen en meisjes, veranderden in wat zij werden: jagers op Joods en ander wild? Een antwoord: Door van bovenaf verkeerde, valse, gekleurde informatie onopvallend te laten doorsijpelen. Het ging inderdaad allemaal in het eerste begin zo onopvallend, ongemerkt. Maar uiteindelijk veranderde de hele manier waarop men naar de ander keek en over de ander dacht. En zo konden gewone mensen tenslotte veranderen in de beesten die zij werden.

Besef, weet, wees ervan doordrongen: ‘Be’tsèlem Ellokiem bara oto’ – de mens werd naar het evenbeeld van G.d geschapen. Zo wordt ons in de Tora, de Bijbel, meegedeeld. Dat geldt voor ieder mens. Voor mannen en voor vrouwen. Voor meisjes en voor jongens. Voor ons, voor jullie en voor iedereen.. Ongeacht de verschillen in huidskleur, intelligentie, enzovoorts. Kijk zo naar elkaar. Kijk zo naar de ander. Iedereen, naar het evenbeeld van G.d geschapen. Daarop focussen! Zo elkaar ervaren!

Het Wilhelmus

Meisjes en jongens, biologie en geschiedenis waren mijn favoriete vakken op school. Daarbij gaan mijn gedachten nu naar prins Willem van Oranje, de Vader des Vaderlands. In een bespreking op internet van ons volkslied ‘Het Wilhelmus’ werd de prins getypeerd als verdraagzaam. Voor die tijd heel bijzonder: verdraagzaam. Verdraagzaam ten opzichte van al zijn bestaande en toekomstige onderdanen.

Het Wilhelmus. Ik herinner mij, ik zie het nog zo voor mij, hoe wij in juni 1945 uit Duitsland naar

Nederland terugkeerden in een Amerikaanse legertrein. Plotseling zag ik mensen opstaan. Wij reden Nederland binnen! Wij reden de vrijheid binnen! En de mensen waren opgestaan en zongen – het in de oorlog zo verboden lied- het Wilhelmus. Elk jaar lopen mij de rillingen over de rug wanneer op 4 mei bij de Dodenherdenking op de Dam het Wilhelmus wordt gezongen op die prachtige melodie:

Mijn schild ende betrouwen
zijt gij, o G.d, mijn Heer!
Op U zo wil ik bouwen,
verlaat mij nimmermeer!
Dat ik toch vroom mag blijven,
Uw dienaar te aller stond;
de tirannie verdrijven
die mij mijn hart doorwondt.

Elk jaar lopen mij de rillingen over de rug wanneer op 4 mei bij de Dodenherdenking op de Dam het Wilhelmus wordt gezongen.

Licht!

Herdenken. Her-denken. Opnieuw denken en nadenken. Hoe het was. En hoe het niet en hoe het wel moet zijn. Herdenken – zoals die prachtige zin van Bilderdijk die ik las in zijn boek ‘Amsterdam in oorlogstijd’:

“In het heden ligt het verleden; in het nu wat komen zal.” Ligt. Je schrijft het woord met de letters l-i-g-t. Maar ik wil het ook anders begrijpen. niet met een g geschreven, maar met een ‘ch’. Licht, stralend. En dit is ook de wens en de hoop die wij van deze herdenking moeten meenemen. En moge het met G.ds hulp inderdaad zo zijn: In het heden licht – met ch – het verleden; en vooral: In het nu licht – opnieuw met ch – wat komen zal!

Jongens en meisjes, u allen, moge G.d jullie, moge G.d u, moge G.d ons allen in het verdere leven zegenen. Met geluk. Met gezondheid. In verdraagzaamheid. Amen!

1 reactie

Indrukwekkende redevoering.

Reageer