Chanoeka in goede tijden en slechte tijden

Elke keer als ik de bekende foto van het aansteken van de Chanoeka kaarsen in het kamp Westerbork zie, dan overvalt mij altijd een gevoel van enorm verdriet over wat mijn volk, mijn broeders en zusters is overkomen.

Tegelijkertijd denk ik over de diepe betekenis van het Chanoekafeest, de kaarsen die zo symbolisch zijn. Het kleine beetje licht dat zoveel duisternis weghaalt. Ook tijdens de grootste duisternis van ons volk was dat beetje licht aanwezig. Nee, we zullen jullie nooit vergeten.

Er zijn in die simpele kaarsjes veel geheimen en betekenissen en die neemt het Joodse volk altijd mee in alle omstandigheden. Chanoeka, het feest van licht, het licht van het Joodse volk dat straalt. Waarom? Lees verder, want het staat in de Thora.

Chanoeka wordt niet specifiek genoemd in de Thora, omdat deze geschiedenis lange tijd na van het schrijven van de Thora heeft plaatsgevonden. Mozes eindigde met het schrijven van de Thora in het jaar 2488 na de schepping (1273 voor de gewone jaartelling).

De wonderen van Chanoeka zijn meer dan duizend jaar later gebeurd in de jaren 3621-3622 (140–139 vóór de gewone jaartelling). G’d staat echter boven elke tijdslimiet daarom kun je in de Thora verschillende toespelingen op het Chanoekafeest vinden.

De hele schepping is het resultaat van de wijsheid van G’d die tot uitdrukking komt in de Thora. De Thora wordt daarom de ‘blauwdruk van de schepping’ genoemd. Elke gebeurtenis, klein of groot, die ooit heeft plaatsgevonden of nog zal plaatsvinden wordt in de Thora genoemd.

Zo is het ook met Chanoeka. In de tekst van de Thora (in het Hebreeuws natuurlijk) is het 25ste woord vanaf het begin van de Thora het woord or, ‘licht’. We beginnen de Chanoeka-lichten aan te steken op de 25e dag van de maand Kislev, (in de maand december).

Toen de Joden in de woestijn reisden, op weg van Egypte naar het land Israël, was de vijfentwintigste plaats waar zij kampeerden Chashmona  (Bamidbar/Numeri 33:29). Dit verwijst naar de priesterlijke familie van Chashmonaiem (Chasjmonieën), zij waren de legerleiders van de Maccabeën in de strijd tegen de Grieken.

Het 23e hoofdstuk van Vajikra/Leviticus beschrijft de verschillende Joodse feestdagen. Onmiddellijk daarna, aan het begin van hoofdstuk 24, vinden we het gebod om de Menora in de Tempel aan te steken. Hierin vind je een aanduiding dat wij de Menora zullen aansteken.

Het zevende hoofdstuk van Bamidbar/Numeri beschrijft de offers die de stamleiders brachten toen de Tabernakel werd ingewijd. Hoofdstuk 8 begint: “G’d sprak tot Mozes en zei: Spreek tot Aharon en zeg tot hem: Wanneer u de lampen aansteekt, zullen de zeven lampen hun licht werpen op het gezicht van de menora.”

We zien hier een verband tussen de inwijding van de tempel en de verlichting van de menora. Nadat de Maccabische oorlog was afgelopen, maakten de Joden de Tempel schoon, repareerden deze en wijdden deze weer in en daarbij staken ze de Menora opnieuw aan.

De Midrasj vertelt ons dat, terwijl elke stamleider een offer bracht, Levi dat niet deed. G’d zei tegen Mozes om zijn broer Aharon – de hogepriester, het hoofd van de Levieten en de voorvader van de Maccabeeën – te vertellen dat hij zich geen zorgen hoefde te maken: offers zullen alleen duren zolang de Tempel bestaat, maar de lichten van Chanoeka zullen voor altijd worden aangestoken.

De lichten van de Chanoeka-Menora die je nakomelingen opnieuw zullen inwijden zal een licht zijn in de duisternis ook na de vernietiging van de tempel, voor altijd.

 

Gerelateerde berichten

Reageer